Niet lang had hij zich verscholen gehouden tussen de colberts en de jassen. Na enkele minuten was hij tevoorschijn gekomen uit zijn schuilplaats en sloeg hij met zijn rug tegen de muur gezeten de verrichtingen van de agenten gade. Nadat het lichaam was afgevoerd voelde hij geen noodzaak meer om te blijven. Hij moest eruit, weg uit de benauwende omgeving van de obscure kamer die zijn noodlot had bezegeld. Het lichaam was in veilige handen gekomen, hij had zijn taak volbracht. Nog even keek hij om zich heen, maar toen hij besefte dat niets in het huis hem ergens meer toe diende, glipte hij tussen de in- en uitlopende agenten door de deur, de trap af naar buiten. Op straat gekomen, hield hij zijn pas even in. Net nadat hij de deur achter zich in het slot hoorde vallen, draaide een groepje mannen dat wel vaker in de buurt bijeen kwam hun gezichten in zijn richting. Brecht voelde zich ongemakkelijk, als het ware betrapt terwijl hij deze priemende blikken op hem gericht zag, maar even snel als dat ze zich hadden omgedraaid, draaiden ze zich ook weer terug, schouderophalend en weer verder mompelend.
Het dichtvallen van de deur had ze opmerkzaam gemaakt, maar het uitblijven van een gestalte bracht ze in de veronderstelling dat ze het waarschijnlijk verkeerd hadden gehoord. Hij stak de Jan van Galenstraat over, de van Reigersbergenstraat in, op weg naar het Westerpark. Hij had de route vaak gelopen, maar de laatste tijd kwam het er niet meer van. De Kostverlorenvaart deed haar naam volledig eer aan, daar deze door de huizenrij aan het zicht werd onttrokken. Vroeger was daar een en al bedrijvigheid geweest. De zaagmolen halverwege lag er als enig overgbleven relikwie uit de geschiedenis, enigszins verloren bij. De nieuwbouw die hem omringde haalde de wind uit zijn wieken, waardoor het houtrot vrij spel kreeg. De eigenaar wilde ‘de Otter’ zoals de molen heette naar de polder verplaatsen, om hem te redden, maar dit werd uit stedelijk-historisch oogpunt door de gemeente tegengehouden. Telkens weer hield Brecht even stil bij de molen en snoof hij de geur van de vers gezaagde houtsplinters op. Het maakte hem weemoedig naar vroegere ambachtelijke tijden zoals hij die kende van Breitner’s schilderijen van het Prinseneiland. (lees verder…)




