In de week van de democratie neem ik u graag mee naar een boek dat is geschreven in een periode waarin schrijvers helemaal niet geacht werden een kritisch geluid te laten horen, namelijk ten tijde van de Stalinistische terreur. Geheel in de lijn van de vijfjarenplannen kregen de schrijvers de opdracht literatuur te scheppen die in het teken stond van het socialistisch realisme. De literatuur moest worden ontdaan van het elitaire karakter en ten dienste komen te staan van de arbeiders. Speciaal voor dit doel werd de in “gezondheidsballingschap” verkerende Maksim Gorki (1868-1936) teruggehaald uit Sorrento (It) met de opdracht om een schrijversbond op te zetten waarin de grote vooruitgang in het socialistisch arbeidersparadijs werd bezongen. Daaronder horen bijvoorbeeld de aanleg van het Witte Zeekanaal of de waterkering van een aantal rivieren die ervoor moesten zorgen dat onvruchtbare gebieden van water werden voorzien. Eén en ander wordt prachtig beschreven in Frank Westerman’s Ingenieurs van de ziel (2002).
Gorki werd er niet erg om gewaardeerd door zijn collegaschrijvers. Bij zijn eerste bezoek aan de werkkampen op de Solovetski eilanden hield een groep schrijvers uit stil protest de kranten die ze lazen, omgekeerd in hun handen, gezeten op boomstammen, want praten mochten ze niet met de beroemde schrijver. Diezelfde boomstammen werden gebruikt om gevangenen aan vast te binden en ze van de heuvels af te laten rollen. Aan het eind van zijn leven zag Gorki in dat hij was misleid door de autoriteiten en viel ook hij uit de gratie van Stalin. Verbitterd leefde de oude schrijver zijn laatste jaren in Moskou.
Dat een aantal schrijvers de dans toch wist te ontspringen, is opmerkelijk te noemen. (lees verder…)




