Ik koester een exceptioneel grote haat voor een buitengewoon klein land
Is dat nu wel redelijk vraagt een nette meneer die naast mij zit
Kut vent
Ouwe hoer
Het is altijd verborgen gebleven
Misschien wel alleen maar achter mijn rug
In absentia
Een sinister cynisme dat mijn schaduw werd
In een dovend licht flikkert er nog een vlam
Een lont dat smeulen blijft en ja dan eindelijk weer opleeft
Ontsnapt aan de hellepoort
Tegen de overmacht
Van kleinburgerlijke ordentelijkheid en de enge blikken van sardienen
Op een uitgedroogde brakke polder
Een vissenkom als waarzegger (lees verder…)




