Als er iemand is die kan weten hoe men zichzelf moet verkopen dan is het wel iemand die voor een reclame bureau werkt. Wat doe je dan als je voor een reclame bureau werkt en je je vanzelfsprekend stierlijk verveelt? Inderdaad: je documenteert je werkzaamheden en adverteert ermee. Dat is zo’n beetje de indruk die Peter Piller’s tentoonstelling Archive Peter Piller in de Andrew Kreps Gallerie in New York van 11 januari tot 10 februari op me achterliet. Maar zelfs deze indruk was zo vaag, dat ik niet precies weet wat er nu aan te waarderen valt, behalve misschien de trouwe natuur waarmee Peter Piller zich toeweidde aan de nauwkeurige taak om tienduizenden middelmatige foto’s van regionale dagbladen te verzamelen.
Het persbericht (daar heb je nog zo’n verzameling!) verwijst naar Piller’s “zwijgzaam tragische visie van het alledaagse leven”, maar kunst is er nu juist om daarboven uit te stijgen, en Piller’s archief is veel meer een bewijs ervan. Natuurlijk is dit het moment waarop we een eindeloos debat zouden kunnen beginnen over wat kunst is, of zou moeten zijn en nooit was. maar Piller’s archief had vooral een archief moeten blijven.
De tentoonstelling bevat selecties uit categorieen zoals “speurende politiemensen”, “luchtfoto’s van huizen in voorsteden”, “meiden en pistolen”, en “granaten binnenshuis”. De enige serie die esthetisch in het oog sprong was de laatste categorie van “granaten binnenshuis”. Piller verzamelde fotos van granaten voor de televisie, op de bank, in de keuken, of op het tapijt. De combinatie van granaten in de woonkamer, geselecteerd op primaire kleuren, wekt de indruk van een bizarre realiteit waaraan men moeilijk ontsnapt, men raakt verstrikt in de indruk, maar die is tegelijkertijd ook te surrealistisch om door de realiteit ervan bedreigd te worden. Een andere serie die de gemeenschappelijkheid van een gemiddelde indruk ontstijgt is die van de “illegale stortingen”, maar deze maakte helaas geen deel uit van de tentoonstelling. Deze laatste serie bevat beelden van bankstellen die werden gedumpt op de top van een glooiend natuurlandschap, en kartonnen dozen en verspreide rotzooi in een mistig bos.
Willekeurige landschappen waarvan de esthetische kwaliteit ligt in de verscholen details, zoals een politie auto die staat geparkeerd voor een woonhuis, de suggestie wekkend van een huisbezoek door een detective, of misschien toch een huisagent die vervroegd thuis is voor de avondprak? Of beelden van een kleurrijk anagram van tweedehands auto’s die ordelijk gerangschikt in diagonalen naast een rechthoekig garagepand, of van wegbewijzering waarvan de wit gekalkte strepen op het asfalt de suggestie van beweging en richting teweeg brengen in het landschap die het zelf ontbreekt. Dit zijn allemaal evocatieve beelden, maar het is de toeschouwer wiens perceptie de artistieke kwaliteit ontdekt en niet de kunstenaar die de verborgen perspectieven van de werkelijkheid onthult. Ik ben het die de actieve component vormt in de artistieke creaties die saai en gewoon zijn.
Dat Peter Piller een toegewijde en trouwe archivaris was in zijn jaren dat hij voor het reclame bureau werkte kan nauwelijks als de verdienste van een oorspronkelijke schepping gezien worden. En de verzameling van willekeurige indrukken kan eenvoudig worden vervangen door een ieder met elke andere verzameling van willekeurige indrukken van momenten of objecten om zodoende het artistieke moment van de toeschouwer te herscheppen. Maar een discussie over kunst is onmogelijk, en ik ben ervan overtuigd dat er mensen zijn die zullen denken dat Piller’s minimale en passieve benadering van kunst nieuw en verfrissend is, die een zienswijze van de wereld blootlegt die zijn nog niet gezien hadden.

Links:
Andrew Kreps Gallery
Peter Piller





