Toen ik klein was hadden wij thuis een boek met de intrigerende titel: “criminal investigations 1930-1960”. Daarin werden verschillende manieren van moord en doodslag uit de doeken gedaan. Met plaatjes. De engelse woorden begreep ik natuurlijk nog niet, maar ik kon urenlang gefascineerd staren naar de oude zwart wit foto’s van rommelige kamers en donkere stegen met in een hoek of een kant een ongemakkelijk gedrapeerd menselijk lichaam.
Diezelfde macabere fascinatie maakte zich van mij meester tijdens het bekijken van de foto’s op de tentoonstelling “Plaats delict Amsterdam” in fotografie museum FOAM. Met dien verstande dat het hier, in tegenstelling tot het boek uit mijn herinnering, beelden betreft met een grote artistieke waarde. In het persbericht van FOAM omschrijft men het zo: “Alle geselecteerde beelden zijn verontrustend of onaangenaam, maar ze bezitten tegelijkertijd een onheilspellende, mysterieuze schoonheid”. Inderdaad, fascinerend.
Oorspronkelijk werden de foto’s gemaakt voor een select professioneel publiek. Ze dienden als bewijslast voor criminele feiten, als situatieschets en ter verduidelijking van het Plaats Delict in de rechtbank. Vóór 1970 was de fotografie voor het Amsterdams politiekorps bijzaak, uitgevoerd door rechercheurs zonder professionele opleiding. Na 1970 kwamen er voor het eerst burgers, professionele fotografen, bij het korps. Dit verklaart de opvallende, vaak haarscherpe, heldere foto’s en sterke fotografische composities uit die tijd.
De meeste foto’s zijn inderdaad buitengewoon mooi van compositie en kleurstelling. Het gezicht van het slachtoffer is nooit te zien, wat de foto een extra abstracte kwaliteit verschaft. Ook het decor van vaak kitscherige, ouderwetse Amsterdamse woningen versterkt de sensatie dat je aan het kijken bent naar een zorgvuldig geënsceneerde kunstuiting van een Rietveld student. Vandaar ook waarschijnlijk dat mijn -aan de Rietveld afgestuurde- medebezoeker, kijkend naar een bijzonder intrigerende foto van iemand in een fluorizerend roze trainingspak, in elkaar gezakt en met zijn hoofd in de gootsteen in zijn keuken, spontaan uitriep “Die zou ik meteen kopen als het kon!”.
En toch bekroop mij een ongemakkelijk gevoel. Wie waren deze mensen? Wat voor leven hadden zij geleid, Welk lijden was voorafgegaan aan deze dood? En was het wel ethisch en geheel oprecht om naar deze beelden te kijken in de hoedanigheid van een kunstwerk? Stiekem voelde ik mij toch weer een beetje dat kind dat met morbide fascinatie naar de ontluisterende aanblik van de dood stond te staren.
Afgaand op de reacties van mijn vrienden was ik niet de enige. Ook zij voelden een ramptoerist-achtige sensatie bij het bekijken van de foto’s. Door de foto’s puur op beeld te selecteren, zonder additionele context, hebben de makers de beelden naar het niveau van kunst getild. Maar tegelijk naar dat van ramptoerisme. Ook daar ontbreekt elke context en kan de toeschouwer zijn fantasie de vrije loop laten terwijl hij zijn ogen niet kan afhouden van de gevolgen van een of ander onheil.
Maar uiteindelijk komen we terug bij de kern, dat dit niet zo maar foto’s zijn van dood en verderf, maar hele mooie en aangrijpende taferelen van menselijke kwetsbaarheid. Zelf vatten de makers het als volgt samen:
“Zonder de bijbehorende dossiers verwijzen de foto’s alleen nog maar naar zichzelf. Ondanks de pijnlijke en lugubere taferelen van moord, zelfmoord en misdaad bezitten de foto’s een ontroerende schoonheid”. Net als het leven zelf.
Plaats Delict is nog t/m 25 februari te zien in Foam, Amsterdam.




