Brecht knipperde een paar keer met zijn ogen, voordat hij werkelijk ontwaakte. Hij schrok meteen wakker toen hij zich realiseerde dat hij zich mogelijk had verslapen voor zijn afspraak. Hij verliet het bankje en liep naar het eind van het park waar een straatklok aangaf dat het net zeven uur was geweest. Opgelucht haalde Brecht adem, terwijl hij haast maakte om op tijd op het adres te komen. Toen hij aankwam, was zij er al. Hij zag dat de deur op een kier stond waardoor ze betrekkelijk eenvoudig het pand konden betreden. De deur naar de woning was er een die na het dichttrekken niet direct in het slot viel, maar met een sleutel moest worden afgesloten. Ze belde aan bij de deur en toen deze na een halve minuut niet geopend werd, voelde ze aan de klink die ze tegelijkertijd kracht meegaf waarop de deur zich opende. Ze betraden een donkere woning die niet alleen zo was omdat het buiten al donker was, maar nog meer verduisterd werd doordat de gordijnen gesloten waren. Ze ontstak het licht naast de deur en wat meteen opviel was dat er weinig meubilair in de kamer aanwezig was. Slechts een diepe leren fauteuil met daarnaast een klein kastje met schemerlamp en een wekker erop stonden in de hoek bij het raam. Daarnaast waren enkele boeken uitgestald op de vloer. Het leek er meer op dat zijn dubbelganger het als een tijdelijke behuizing had gekozen.
Brecht’s oog viel op de lange muur aan de rechterzijde die tot aan de schuifdeur naar de slaapkamer bedekt was met foto’s. Het was een stuk van zo’n twee meter lang en twee-en-een-halve meter hoog dat volledig bedekt was met afbeeldingen van tien bij vijftien centimeter. Sommige waren horizontaal en andere verticaal genomen, maar de dubbelganger had op kunstige wijze ze in elkaar weten te schuiven zodat er geen open plek tussen de foto’s meer te zien was. Brecht herkende meteen een aantal van zijn eigen foto’s. Maar niet alleen dat, van de meeste foto’s was hij het onderwerp, hetgeen moest betekenen dat er ook foto’s die anderen van hem hadden gemaakt, tussen moesten zitten, aangezien hij zelf nauweljks foto’s van zichzelf bezat. Er zaten zelfs kinderfoto’s bij die afkomstig waren uit de albums van zijn ouders. Er zat een chronologische systematiek in de wijze van plaatsing. Linksboven in de hoek de geboorte van Brecht, gewikkeld in een witte deken, naar rechts toe ouder wordend, een spontane en ongedwongen kleuter gevolgd door een verlegen puber die uiteindelijk rechts beneden getransformeerd was tot een bedachtzame jongeman die weinig vreugde uitstraalde. Het waren er een paar honderd, waarbij enkele fasen uit het leven van Brecht werden benadrukt en waarvan meerdere fotoĆs een beeld gaven van die periode. Hij had de afbeeldingen al jaren niet meer gezien. Ze interesseerden hem maar weinig en dienden volgens hem slechts als afdrukken voor nabestaanden. Ze schiepen een bepaalde afstand, hij kon zich nauwelijks voorstellen dat hij dezelfde persoon was als degene die was afgebeeld. In zijn geest bevond zich een soort schemerzone waaruit hij de beelden terug kon halen als hij zich goed concentreerde, maar ze gingen nooit echt voor hem leven. Het waren relikwieen uit een verloren gewaande tijd. Hij liet zijn blik weer van boven naar beneden gaan. Een leven in een notedop, was dit de film waarover men sprak als men een bijna-dood ervaring had ondergaan, maar dan minder dynamisch, als een soort knipoog naar de laatste jaren van Brecht’s leven? Hij kwam uit bij de laatste foto die hij zich kon herinneren ooit van hem gemaakt te zijn op een feestje met een aantal vrienden, een paar jaar geleden. De reeks eindigde daar echter niet. De eerste foto’s die erop volgden, verschilden nauwelijks, maar geleidelijk zag hij dat hij de setting niet meer herkende, er zaten foto’s tussen die hij nog nooit eerder had gezien. De veranderingen in zijn uiterlijk tekenden zich scherper af, de huid werd rimpeliger, het gezicht werd pafferig, bedekt met lange stoppels en het haar hing er ongekamd bij in lange dunne slierten. Uit de laatste foto herkende hij duidelijk de man van de tekening. Er ging een huivering door Brecht heen. De gelijkenis was pijnlijk treffend. De man had hetzelfde voorkomen en ook zijn fysiologie was dezelfde als die Brecht zo typeerde. Alsof de levens van Brecht en zijn dubbelganger complementair aan elkaar waren geworden.
Het gestommel in de gang haalde hem uit zijn concentratie. Al die tijd had zij in de stoel gezeten, Brecht de kans gevend de foto’s volledig in hemzelf op te nemen. Hij vervoegde zich tot haar en wachtte rustig af wat er komen zou. De deur werd vrij ruw geopend waarbij de dubbelganger haastig naar binnen viel. In zijn handen hield hij een tas waaruit hij een bundel papieren haalde die hij op de stoel legde. Brecht herkende zijn manuscript, maar het was helemaal volgeschreven met een rode pen. Hier en daar waren complete passages doorgestreept en sommige stukken waren voorzien van illustraties waaruit een soort gekte sprak. De dubbelganger pakte de stapel papier en nam ze mee naar de keuken waar hij ze uitspreidde in wasbak. Vervolgens pakte hij een doos lucifers uit een la en legde er een brandende lucifer bovenop. Het vatte meteen vlam, er ontstond zelfs een kleine steekvlam, maar het papier was al te snel weggesmeuld voordat het vuur van enige betekenis kon worden. Brecht zag de woorden uit zijn manuscript voor zijn ogen verdwijnen. De foto’s begreep hij nog wel, maar welk belang de dubbelganger bij het manuscript had, was hem onduidelijk. Of moesten alle tekenen die aan Brecht herinnerden worden uitgewist en was dit nog maar het begin? De dubbelganger wachtte totdat het vuur volledig was gedoofd. Hij haalde de resten uit de wasbak en gooide deze weg. De bak spoelde hij na met warm water. Vervolgens liep hij naar de slaapkamer en haalde daar een stuk touw van een paar meter vandaan. Deze legde hij uitgespreid voor zich op de vloer in de woonkamer. Hij haalde een systeemplaat uit het plafond en zette deze tegen de muur. De stoel zette hij opzij. Daar nam hij een longdrinkglas uit de kast, schonk deze voor de helft vol met wodka, deed er wat ijsblokjes bij en vulde de rest met cola. Daarna ging hij op de fauteuil zitten, ogenschijnlijk in rust maar uit de gelaatsuitdrukking kon Brecht opmaken dat deze slechts uiterlijke schijn betrof.
Brecht keek haar vragend aan, vol ongeduld ging zijn blik van de dubbelganger naar haar, waarbij hij zich begon af te vragen waar hun bezoek naartoe zou leiden. Ze maakte een handgebaar waarmee ze aangaf dat hij moest afwachten. Gerustgesteld werd hij er echter niet door, hij wilde een verklaring maar werd op de proef gesteld door het feit dat hij niets kon ondernemen. De dubbelganger dronk snel, in een slok dronk hij de helft van het glas leeg, waarna hij twee minuten wachtte en de rest in een teug tot zich nam. Hij staarde door het gat naar boven, pakte de stoel er weer bij en gooide het touw over een van de steunbalken die zich boven de platen bevond. De uiteinden van het touw bond hij aan elkaar op een manier waardoor er een klein gat ontstond. Hij stak zijn hoofd er doorheen, schopte de stoel weg en daar hing hij, spartelend met zijn benen en rood aanlopen omdat het touw om zijn nek zich aantrok. In een reflex rende Brecht naar de spartelaar, maar hij kon niets ondernemen. Hulpeloos keek hij toe hoe de man langzaam maar zeker stikte.
“Laat hem maar, Brecht, het is je eigen keuze,” zei ze kalm.
Het duurde even voordat de woorden tot Brecht waren doorgedrongen. “Hoe bedoel je, het is mijn keuze”, vroeg hij verontwaardigd.
“Het gaat je verstand te boven, maar degene die je hier ziet hangen dat ben je zelf, maar dan vijf jaar later.”
“Wat?,” riep Brecht, “maar dat is onmogelijk.”
“We hebben gebruik gemaakt van je geestelijke vermogen op dit moment. Doordat je niet meer onder de levenden bent, is het mogelijk om dieper door te dringen tot je onderbewuste. Daardoor ben je in staat te zien waar je leven zich naartoe beweegt.”
Ze bleef even stil om te zien welke uitwerking haar woorden op Brecht hadden. Zijn gevoel werd gevuld met twijfel en ongeloof maar ook maakte de angst zich van hem meester omdat hij het schouwspel in de woonkamer niet kon vatten.
Ze vervolgde: “langzaam maar zeker heb ik je hier naartoe geleid. Ik moest ingrijpen vijf jaar geleden omdat zich toen het proces begon in te zetten waarvan je nu de uitwerking voor je ziet. Vanaf dat moment ben je jezelf gaan verliezen. Je wilde onsterfelijk worden en daardoor legde je jezelf een druk op die je niet aankon. Het slagen van het manuscript werd een obsessie voor je. Alles moest wijken voor de vervolmaaking van het intellect waarbij je leven zich afspeelde in de boeken die je tot je nam. Ik zal niet ontkennen dat je persoonlijke ontwikkeling een belangrijk element van je leven is, maar deze stond bij jou je werkelijke leven in de weg. Van een sociaal mens werd je een verbitterde eenzame man die bovendien zichzelf begon te verwaarlozen. Uiteraard zou je het nooit toegeven, maar diep van binnen voelde je je geisoleerd in de afstand die je ervoer tot het leven. Het niet kunnen komen tot een volmaakt manuscript maakte je nog fanatieker in het vervolmaken ervan. De man die je hier vor je ziet, was tot de conclusie gekomen dat zijn leven mislukt was. Voor hem was er geen weg meer terug. Hij vond dat hij teveel was afgegleden. Hij ging bij zichzelf na wanneer deze kentering in zijn leven was ingezet en kwam toen uit bij de man die jij nu bent. Daarom verzamelde hij de foto’s en begon ze te rangschikken. Toen hij dat voltooid had, zag hij pas werkelijk welk verval er bij hem in was getreden. Hij zag wat hij al die jaren niet onder ogen had durven zien en raakte in een soort shock. Het liefst wilde hij de tijd terugdraaien omdat alleen op dat moment een ingreep nog zinvol zou zijn. Hij erkende echter dat hij gefaald had. En toen kwam ik in het spel. Ik heb je gevolgd, ik ben in de tijd terug gegaan om je te vinden en je duidelijk te maken dat je de verkeerde richting insloeg. De enige optie was om op een rigoreuze manier toe te slaan omdat je de tekenen die ik je gaf, negeerde. Ik stak met het mes maar naast de vitale delen. Hierdoor kon ik je ziel onttreken aan je lichaam zonder je werkelijk te doden. Je verkeert als het ware in een coma op dit moment. Het lichaam moest verdwijnen omdat er in handen van de medici een te groot risico zou ontstaan.”
Brecht wist dat ze gelijk had. Hij wist het eigenlijk al vanaf het begin, maar zijn koppigheid had hem misleid. Vol walging keek hij naar de vadsige man die inmiddels roerloos aan het touw hing. Hij schaamde zich dat hij tot deze man was verworden aan wiens hele voorkomen je kon zien dat zijn leven geen betekenis meer voor hem had. Hij schaamde zich ook dat hij haar signalen niet serieus had genomen en dat hij zijn omgeving van zich had laten vervreemden. Hij wist zich niet zo goed een houding te geven en toen hij haar wilde aankijken, zag hij dat ze langzaam begon te vervagen alsof ze een schim werd. Het werd hem zwaar te moede en nu begon ook de rest van de omgeving te vervagen alsof deze langzaam werd uitgewist.
Toen hij weer bijkwam, zag hij dat hij op de bank lag. Het touw dat zojuist nog strak had gestaan was doorgesneden en lag voor zijn voeten op de vloer. Hij keek om zich heen of hij haar nog ergens kon zien. Ze was nergens meer te bekennen, maar toch voelde hij haar aanwezigheid. Hij keek naar zijn lichaam en zag de uitgedijde buik onder zich. Langzaam kwam hij overeind en liep naar de badkamer. Het lopen viel hem zwaar omdat hij niet gewend was zoveel gewicht met zich mee te dragen. In de spiegel zag hij een gezicht dat hem vertrouwd voorkwam, maar het was hetgeen dat hoorde bij zijn vijf jaar oudere ik. Hij betastte het voorzichtig en voelde de pafferigheid door zijn handen glijden. Dit was het gezicht dat hij waardig diende te dragen. De wonden in zijn buik bleven achter als stigmata voor zijn herinnering aan deze reis.
Slot




