Hij keek om zich heen of hij haar nog ergens kon bespeuren. Tussen haar laatste zin en het moment dat Brecht merkte dat ze er niet meer was, zat hooguit een minuut, ze kon toch niet zomaar verdwenen zijn. Hij sprong van de bank, liep er omheen en keek in alle richtingen van het park, om nog ergens een glimp van haar op te kunnen vangen. Ze was in geen velden of wegen meer te bekennen. Lieten zijn zintuigen hem nu ook al in de steek of was het een zinsbegoocheling geweest die hem had laten luisteren naar haar monoloog? Even geruisloos als ze was gekomen, was ze vetrokken en ze had niets anders achtergelaten dan vertwijfeling. Als een soort bode had ze zich aan hem geopenbaard, hem rustig doch dwingend toegesproken. Maar wie had haar dan gestuurd? Een hogere almacht? Brecht maakte een wegwerpgebaar bij deze gedachte. Nooit had hij geloofd in een autonome macht die achter de schermen de boel regisseerde en de voortbestemming had vastgelegd in een soort van draaiboek. Hij kon zich voorstellen dat mensen die een leven vol ellende hadden meegemaakt, op zoek gingen naar een metafysischere waarheid enkel en alleen om een verklaring te krijgen, maar zijn leven had zich kalmpjes aan hem voltrokken. Hij erkende de beperkingen van de vrije wil, maar klampte zich toch aan haar vast omdat het leven hem anders zinloos voor zou komen. Hij voelde zich verraden; wie was zij om zich zo schaamteloos in zijn leven te mengen en wat kon zij er bovendien van weten. Aan ongevraagde adviezen leed de wereld nog eens schipbreuk. Alsof deze laffe moord verklaard kon worden door oorzaak en gevolg. Alsof hijzelf verantwoordelijk zou zijn voor zijn sterven. Toch wist hij dat hij aan het onderzoek zou beginnen. De nieuwsgierigheid dwong hem te achterhalen wie zijn moord op zijn geweten had. Hij moest de periode voorafgaand aan zijn dood nauwkeurig reconstrueren. Hij moest in zijn gedachten graven om elk detail weer naar boven te halen zodat hij het kon herleiden tot een aanwijzing die hem was ontgaan. En dat stoorde hem nog het meest, dat hij gefaald had in zijn opmerkzaamheid. In de loop der jaren had hij zijn observatievermogen dusdanig getraind dat hem niets kon ontgaan. Al vroeg had hij ontdekt dat hij meer zag dan anderen, dat hij telkens de kleinigheden aanstipte die anderen gemist hadden. Het was ook een manier om zichzelf en zijn omgeving te kunnen controleren zodat hij verrassingen uit kon sluiten. Maar toch was het hem overkomen. Een ander was in staat geweest een schier onmogelijke opgave te volbrengen en had de dode hoek in Brecht’s blikveld gevonden.
Natuurlijk had hij met de dood te maken gehad; hij had zijn grootouders verloren, tantes en ooms en ook in zijn omgeving had hij op een afstand anderen zien gaan, maar nooit was de dood dichterbij gekomen. Van een gepaste afstand had hij het aanschouwd, alsof de dood hem zou kunnen grijpen zodra hij toenadering zou zoeken. Een keer eerder had hij zich weten te laten verleiden; hij moest een jaar of twaalf zijn geweest toen het broertje van een vriendje omgekomen was bij een ongeluk. Hij lag opgebaard in het mortuarium en samen met zijn moeder ging Brecht de laatste eer aan hem bewijzen. Hij betrad de duistere zaal waarin verschillende vertrekken waren ingericht, van elkaar gescheiden door zwarte velourse gordijnen. De kaarsengeur vermengd met formaline drong al snel zijn neus binnen en maakte hem misselijk. De opgebaarde lag in een kist die schuin was neergezet waardoor zijn hoofd hoger lag dan zijn voeten. Gehuld in zijn mooiste kleren, nagels geknipt, haren gekamd in een nette scheiding, wimpers en wenkbrauwen geborsteld. Mond en ogen waren gesloten en men had alles in het werk gesteld om van de dode een smetteloze indruk achter te laten. Maar meteen was hem die geel-oranje gloed op zijn gezicht opgevallen alsof hij nog even onder de zonnebank was gelegd. Het gaf hem iets surrealistisch waardoor het verband met de levende volledig werd weggevaagd. Maar het beeld had zich op zijn netvlies gebrand. Telkens wanneer hij terugdacht aan de jongen drong het beeld zich aan hem op en nam het de plaats in van de herinnering die hij aan hem had. Vanaf dat moment had hij besloten om nooit meer een mortuarium te bezoeken. Toch was hij gefascineerd in de fysieke kant van de dood. Theoretisch had hij zich erin onderlegd, dankzij de literatuur kon hij de afstand bewaren en bleef hij ongevoelig voor waarachtigheid. De geestelijke beleving van de dood had hem echter nooit geinteresseerd. Volgens hem zou er niets zijn en niets overblijven. Niet de ziel van Plato noch de reincarnatie van het boeddhisme. En dat was ook waar hij naar verlangde als zijn tijd gekomen zou zijn. Een serene rust die zijn ziel zou uitvagen in een alles verzengende slaap. De hoop van de gelovigen had hij nooit kunnen delen.
Toen hij weer bij zijn huis kwam, merkte hij dat er iets aan de hand was. Agenten kwamen uit het huis rennen om vervolgens in volle vaart met hun auto’s gewapend met sirenes weg te rijden. Brecht liep door de voordeur naar binnen en hoorde de rechercheur vanaf de eerste etage schreeuwen.
‘Hoe is het in godsnaam mogelijk.’
Brecht zag de rechercheur in volle razernij ontstoken tegen de nog overgebleven agenten nadat hij de woning was binnengekomen.
‘In de twintig jaar dat ik in dit vak werk, is me dit nog nooit overkomen. Wie waren de bestuurders?’
‘Wat is hier aan de hand’, viel opeens een stem vanuit de deuropening naar binnen.
Brecht herkende deze stem meteen. Hij draaide zijn hoofd om en zag zijn ouders daar staan, enigszins overrompeld door de consternatie. Hij schrok van deze onverwachte ontmoeting. Hij had ze al zeker een jaar niet meer gezien en in die tijd waren ze aanzienlijk ouder geworden. Het contact was eigenlijk vanzelf verloren gegaan; hij informeerde niet meer naar ze en hun berichten op zijn antwoordapparaat liet hij onbeantwoord. Hij ging al langer niet meer bij ze op bezoek en als ze vroegen wanneer hij zich weer eens liet zien, verzon hij telkens weer een smoes waarna ze het na verloop van tijd opgaven. Het was niet zozeer zijn opzet geweest om het contact te verbreken, hij had altijd een goed band met zijn ouders gehad, maar was nu eenmaal in een ander vaarwater gekomen waarbij er geen ruimte meer overbleef voor biologische verbanden.
‘De arme mensen’, dacht Brecht, ‘de enige ontmoeting die ze nog gegund is, is verzonken in stilte.’
De rechercheur schudde de woede van zich af en verzocht zijn ouders plaats te nemen op de bank. Een agent spoedde zich naar de keuken om water te halen.
‘Op de eerste plaats wil ik u mijn oprechte deelneming betuigen, meneer en mevrouw Brecht’, zei de rechercheur. ‘Het is een tragisch verhaal wat er met uw zoon gebeurd is.’
Er viel een korte stilte toen Brecht’s ouders hem vragend bleven aankijken, terwijl de rechercheur naar een manier zocht om hetgeen waar hij zoveel ophef over maakte, in de juiste woorden probeerde te vervatten.
‘Zojuist kreeg ik het bericht dat de ambulance waarin uw zoon naar het laboratorium werd vervoerd bij een stoplicht is overvallen en waarbij het lichaam van uw zoon is ontvreemd.’
De rechercheur schraapte zijn keel.
‘Het personeel werd verdoofd met injectienaalden en is een half uur buiten westen geweest. We zijn op dit moment bezig met het ondervragen van getuigen om het spoor van de daders te traceren. Het lijkt erop dat er mensen zijn die belang hadden bij de dood van uw zoon en diens lichaam. Heeft u enig idee waarom dit gebeurd kan zijn?’
‘Wij hebben onze zoon al ruim een jaar niet meer gezien’, antwoordde de vader ijzig kalm. ‘Om voor ons onduidelijke redenen heeft hij het contact verbroken. Voor zover wij weten, was hij gezond en liet hij zich niet in met criminelen. Hij was nogal op zichzelf, namelijk.’
‘U heeft ook nooit meer iets van anderen over hem vernomen?’
‘Af en toe hoorden we iets van zijn oude vrienden die hem op straat hadden gezien, maar steevast negeerde hij deze. Volgens hen was hij er wel slechter uit gaan zien, u weet wel, een beetje bleker geworden en met van die kringen onder zijn ogen. Maar meer is ons niet bekend. Wij zijn hier slechts om werkelijk afscheid van hem te kunnen nemen.’
‘Ik begrijp het’, antwoordde de rechercheur. ‘Ik zal u ook alleen laten zodat u rustig even op adem kunt komen. Ik zal u mijn telefoonnummer geven voor als u nog vragen mocht hebben of mij zou willen spreken. U kunt rustig uw gang gaan hier, het onderzoek is al afgerond. Wel zal ik twee agenten hier achterlaten in verband met de veiligheid. Als u mij nu zou willen verontschuldigen, ik moet naar het volgende plaats delict.’
‘Natuurlijk’, antwoordden de ouders.
De rechercheur schudde de handen van Brecht’s ouders en overhandigde hen zijn visitekaartje. Daarna haastte hij zich weg. De twee agenten gingen naar buiten om de ouders de gelegenheid te geven even alleen te zijn.
De emotionele ontlading die Brecht verwachtte bleef uit. Zijn ouders bleven rustig op de bank zitten en keken om zich heen naar de staat van het appartement. Brecht kende dit, als het op onderhoud aankwam dan was het bij zijn ouders altijd helemaal in orde en hij zag hun enigszins misprijzende blikken langs de muur gaan die al jaren niet meer geverfd was en gelig was geworden door de aanslag van sigarettenrook. Maar dat kon hem allemaal niets schelen. Lijdzaam moest hij toekijken hoe zijn ouders gelaten waren onder het nieuws van de laatste paar uur en zelfs opgelucht leken te zijn met de tijding. Het was het laatste dat hij had verwacht.
‘Wat doen we nu met de begrafenis?’, vroeg de moeder aan de vader.
‘Ongeacht wat de rechercheur vandaag te weten komt, laten we de begrafenis toch over drie dagen plaatsvinden. Het vormt slechts een formaliteit in besloten kring, dus we hoeven ook niemand uit te nodigen voor de begrafenis. Wat doet het er dan toe of het een echt lijk is, of niet? Er is al genoeg verloren geraakt, we kunnen dit maar beter zo snel mogelijk achter de rug hebben.’
De moeder knikte instemmend. Ze omhelsden elkaar even kort waarna ze op zoek gingen naar tastbare herinneringen. Brecht sloeg het allemaal gade vanaf de zijkant. Na een tijdje hoorde hij zijn moeder vanuit de slaapkamer: ‘Zou hij al zijn foto’s weg hebben gedaan?’
‘Maakte hij die dan?’, antwoordde zijn vader hierop.
‘Naturlijk wel, hij had hele series van zijn vakanties in Zuid-Amerika, van een jaar of vijf geleden.’
‘Oh ja, natuurlijk, het lijkt me sterk dat hij die weg heeft gedaan. Misschien heeft hij ze naar zolder gebracht.
Brecht liep nadat hij dit gehoord had haastig de slaapkamer binnen. De deurtjes van zijn commode stonden open, maar nergens waren de mapjes en de zilveren metalen doos waarin hij zijn foto’s bewaarde te bekennen. Hij draaide zich direct om en keek naar zijn moeder die onverstoorbaar verder ging met het doorzoeken van zijn boekenkast.
Zijn ontslag voelde als een bevrijding. Hoewel hij niet werkelijk overspannen was, was hij wel de uitputting nabij. De eerste dagen van zijn herwonnen vrijheid besloot hij het er eens goed van te nemen; hij ging laat naar bed, kwam er ook laat weer uit en liet de dag aan zich voorbijglijden zonder werkelijk iets te ondernemen. Langzaam kwam hij werkelijk tot rust in een periode die hij zag als een geestelijke leegstroom van alle overtollige ballast die hij de afgelopen jaren met zich mee had gedragen. Ondanks deze grote mate van inactiviteit vlogen de dagen voorbij en na enkele weken zorgde de gewenning voor het lengen der dagen. Hij had zich nog niet precies voorgenomen wanneer hij aan de slag zou gaan, maar hij dacht dat het moment zichzelf wel zou aandienen. Het was namelijk een idee waar hij al jaren mee liep; hij wilde een kroniek van deze tijd maken, een geschiedsschrijving in de vorm van een roman waarin hij de tijd zou grijpen en deze voor anderen inzichtelijk maken. De ambitie om schrijver te worden had zich al vroeg in hem gemanifesteerd. Hij had er de tijd voor genomen om deze te laten groeien, om zijn ontwikkeling tot volle wasdom te laten komen. Hij had een tijdsschema opgesteld waaraan hij zich streng diende te houden. Tot zijn achtentwintigste had hij zich de tijd gegund zich te bekwamen in de literatuur. Fase een was erop gericht om de klassieken uit de literatuur tot zich te nemen. Het was de voorbereding waarin hij het kader schiep waaruit hij zou kunnen putten. De voedingsbodem voor zijn ideeÎn moest hierin worden gelegd. In al die jaren had hij de boeken verslonden, maar dit had niet geleid tot een bepaalde bevrediging omdat hij voortdurend tijdsgebrek ervoer om alles tot zich te nemen. Fase twee besloeg de twee jaar daarna; in deze fase kreeg hij de tijd om zich in het schrijven zelf te bekwamen. Hij ging op zoek naar zijn eigen stijl en probeerde verschilende stijlmiddelen uit. Fase drie was nu ngeveer aangebroken; hij moest de twee eerdere fasen gaan combineren om tot de uitwerking van zijn manuscript te kunnen komen. Het was voor hem belangrijk dat hij zich nauwgezet aan deze planning hield. Hij wist dat hij er veel voor zou moeten laten. Gedisciplineerd en eenzaam moest hij zich over de boeken buigen, hij moest zijn dagen inrichten in het teken van de ontraadseling van zijn tijd. En nu werd hem de mogelijkheid geboden om in alle rust en concentratie zijn ideeÎn eindelijk uit te gaan werken. Het zou zijn manier worden om de onsterfelijkheid te bereiken want zonder deze achtte hij het leven zinloos.
Wordt vervolgd




