13 maart - 26 september 2005
In P.S.1, de dependance van het MOMA te Queens is momenteel ‘Greater New York 2005′ te zien, een tentoonstelling met hedendaagse artiesten die in New York en omgeving wonen of werken. P.S.1 is gevestigd in het gebouw van Public School number 1, en als school nu maar altijd zo inspirerend was geweest. Een rondgang langs de tentoongestelde werken maakt een ding direct duidelijk: de kakofonie aan stijlen binnen de hedendaagse kunst is overweldigend. De mengelmoes aan kunst huist meer dan 160 hedendaagse artiesten en werd geselecteerd door verschillende kunst curatoren. Een impressie.
Peter Caine, Ian Burns
Peter Caine weet zijn ‘verschrikkelijke sneeuwmannen’-fantasie speels vorm te geven in ‘Overseer’: in een klein voormalig klaslokaal zonder daglicht staat zijn sneeuwlandschap waaruit 5 levensgrote sneeuwmannen met zwarte vleermuisgezichten opdoemen, een discobol op de voorgrond belicht het hele spektakel en zorgt voor een magisch-surreÎle aanblik. Kinderen zijn er moeilijk bij weg te slaan. Dit geldt ook voor ‘The Epic Tour’ van Ian Burns. Deze houten installatie is te bezichtigen door in een eenmanswagon plaats te nemen die zich traag voortbeweegt onder het klinkende slagwerk van een bel en drum. Enkele stops onderweg leggen de klemtonen. De installatie plaatst de toeschouwer centraal en leidt hem rond door het bouwwerk dat de ruimte in beslag neemt.
Hope Atherton
Een van de hoogtepunten van de tentoonstelling is voor mij het werk van Hope Atherton. Atherton onderzoekt veelal de esthetische waarde van dierlijk materiaal. Vaak wordt door haar hierbij bontachtig materiaal gebruikt, zoals in het voor haar typerende werkstuk ‘Brown Unicorn’, waarin de uitgedroogde overblijfselen van een gevilde baby-eenhoorn door middel van een leren touwtje aan een spijker in de muur hangen. Ook haar ‘The Watcher’ is macaber: een schilderij met een Rembrandt-achtige duisternis waarin een dromerig figuur, rustend tegen een oude muur, dodelijk uitgeput zijn laatste adem uitblaast.
King/Diaz Leon
Een van de weinige videowerken die de moeite waard zijn is het werk van King/Diaz Leon. Een cellist en violiste spelen werk in een studio, in een kunstmatige cirkel ingeklemd tussen drie grote spiegels. Het geheel is overbelicht, en drie tot vier lagen van dezelfde opnames uit verschillende hoeken zijn razendsnel over elkaar heen gespeeld. De werking van flitsend beeld met kalmerende klassieke muziek werkt ontwrichtend, maar houdt de aandacht desondanks vast.
Dasha Shishkin
Het werk van de Russische kunstenares Dasha Shishkin kenmerkt zich door ruwe figuren wier vormen geaccentueerd worden door inktvlekken en volle vormen. Ook haar kleurtekeningen zijn fascinerend. Vreemd genoeg was op ‘Greater New York’ juist haar slechtste werk tentoongesteld: twee Escher-achtige collages bestaande uit een honderdtal katfiguurtjes getekend met een enkele contourlijn in verschillende poses. Het geheel lijkt afkomstig uit de verzameling van een liefhebber van katfiguurtjes en heeft in mijn visie louter decoratieve waarde.
Wangechi Mutu
Wangechi Mutu’s werk is een stijlbreuk met het meeste werk op de tentoonstelling. Mutu is een kunstenares van Keniaanse afkomst die opleidingen volgde aan onder andere Yale. Op basis van het op ‘Greater New York’ tentoongestelde werk kon ik niet uitmaken of ik Mutu’s stijl nu wel of niet indrukwekkend vind.
Will Ryman
Een van de meest penetrante indrukken op ‘Greater New York’ is de aanblik van de figuren die je reddeloos verloren aankijken vanuit ‘The Pit’ van Will Ryman. Dit werk is een verzonken ruimte waarin vormeloze wezens in gymschoenen en met opvallend witte ogen je terug aanstaren als je over de leuning buigt om te ontdekken wat het werk inhoudt. Hoewel de donkerbruin geschapen wezentjes van 1.5 meter lengte gemiddeld onecht en schattig lijken, bewerkstelligen de vele blikken je als (ontmaskerde) toeschouwer een gevoel van schuld en medeschuld aan hun verloren positie, verzonken in de metersdiepe put waarin Ryman hen plaatste. Strikt genomen is de positie van de wezens natuurlijk de schuld van de kunstenaar, maar het is moeilijk de zielige oogjes te vergeten.
Michelle Segre, Jeff Davis
Michelle Segre gebruikt was om een gigantische omgekeerde paddestoel te maken. De sporen van de paddestoel liggen pontificaal op de vloer, de steel van de paddestoel wijst boven de bezoekers uit. De hardheid van de gestolde was, in combinatie met haar zachte kleur heeft een eigenaardige uitwerking. De wetenschap dat was zo eenvoudig smelt tot een zacht stromend goedje draagt daar nog eens aan bij. Het gebruik van was door Segre roept herinneringen op aan het werk van Joseph Beuys. Het grote verschil is echter dat waar Beuys was veelvuldig in abstracte vormen gebruikte, het werk van Segre concreet is. Ook Jeff Davis gebruikt was, en wel in zijn mint gekleurde wassen koppen, die je sterk aan oude dodenmaskers doen denken. Interessanter dan deze historische associatie en de komische opgezwollen vormen is zijn werk echter niet.
Rina Banerjee
Banerjee’s ‘Tropical Fatigue and the Seven Wanderings’ is misschien een vergezochte aanduiding van Sneeuwwitje. Daarmee wordt evenwel op zijn minst de draak gestoken in haar tekeningen. Tot waaiers samengebundelde veren van een zeemeeuw, bungelen neerwaarts aan een kandelaar van vuurrood geverfde houten meubelleuningen, onder een paraplu van oude opengevouwen koffers. Het geheel zorgt voor een ruimtelijke sculptuur die als een mensengrote kapstok voor reisherinneringen aan de tropen functioneert. Op de grond onder het geheel liggen verspreid de teleurstellingen en vermoeide restanten.
Dominic McGill
Dominic McGill’s stijl heeft een sterk historische lading en heeft iets weg van Anselm Kiefer in een Amerikaanse context. Zijn installatie ‘Project for a New American Century’ speelt met de propagandistische waarde van het woord als politiek symbool. Door in een slingerende postermuur van ongeveer 10 meter lengte en 1.5 meter hoog historische politieke symbolen uit de 20e eeuw te combineren met sloganachtige woorden en zinnen ontgaat de werking van zijn installatie je nauwelijks. Het sterk politiek getinte en kritische werk rekent genadeloos af met de zingeving van het woord en de betekenis van symbolen. McGill gebruikt de historische symboliek op de vierkante meter en leidt je langs de afgang van de politiek als maatschappelijk instrument.
David Ellis
David Ellis’ installatie ‘Granny’ is jammerlijk tentoongesteld op de gang van de 1e verdieping in P.S.1. Het stuk, ÈÈn van de weinige mechanische kunstwerken op de tentoonstelling, had zonder meer een betere plaats verdiend. Het stuk lijkt een ode aan de geschiedenis van het geluid en de langspeelplaat te zijn. Het is een wandstuk van 4 meter lengte bij 2 meter hoogte, met twee brede draaitafels als tafelbladen op kniehoogte, waarop het instrumentarium is opgebouwd. Een nostalgisch werk dat vreemd genoeg geen geluid maakt.
Kunst is een kwestie van smaak, en natuurlijk valt over kunst niet te twisten. Geen wonder dus dat er op de tentoonstelling ‘Greater New York’ middelmatig werk te zien valt, maar ‘Greater New York 2005′ moet nu al een van de sterkste hedendaagse kunst verzamelingen van het komende jaar genoemd worden. De kakefonie aan stijlen binnen de hedendaagse kunst is overweldigend, maar ik was ook verrast door de afwezigheid van computerkunst en academische diepgang. In een tijdperk leven waarin technologische complexiteit en academische specialismes de sociaal-economische structuren domineren is dat een tekortkoming. Desondanks: mis ‘m niet als je in de buurt bent, must see!
Links:
P.S.1
Dasha Shishkin
Rina Banerjee
Dominic McGill @ Debs and Co




