Sinds donderdag 18 november is het ‘International Documentary Filmfestival Amsterdam’ kortwef IDFA, weer in Amsterdam neergestreken. Een uitgelezen gelegenheid om je weer eens lekker te laten meeslepen in de wereld van de documentaire. Maar waar te beginnen? Bladerend door het programma word je duizelig van het overstelpende aanbod, dat uiteen loopt van vrouwen die met digitale camera in de hand op zoek gaan naar hun verkrachter tot een Braziliaanse kluizenaar die al 41 jaar in een grot woont. Maar dan valt mijn oog op End of the Century, the story of the Ramones van Jim Fields en Michael Gramaglia.
The Ramones, de mythische punkband die met hun simpele 1..2..3..4 stijl de punkrock zo’n beetje heeft uitgevonden. Als verstokte Ramones fan kan ik dat niet aan me voorbij laten gaan. Als ik de zaal binnenloop zie ik echter voornamelijk ‘gewoon uiziende’ dertigers en veertigers, geen punker te bekennen. Wie weet zijn dit volwassen geworden ex-punkrockers en het feit dat de film om tien uur ’s ochtends begint zal misschien ook meespelen in het lage gehalte neo-punks. Een missertje van de organisatie is dat ze de documentaire Dig, over de rivaliteit tussen de bands “the Dandy Warhols” en “the Brian Jones Massacre”, rond dezelfde tijd hebben geprogrammeerd. Het zou nou juist zo leuk zijn om beide muziekdocumentaires te kunnen vergelijken. Maar goed, dit terzijde.
End of the Century is chronologisch opgebouwd, waarbij de belangrijkste jaartallen in het bestaan van the Ramones als hoofdstukken fungeren. Het begint allemaal in Forrest Hill, Queens, waar de vier oorspronkelijke Ramones elkaar vinden in hun gezamelijke liefde voor the New York Dolls, the Bay City Rollers en the Stooges. De jongens besluiten een band te beginnen. Niemand, behalve gitarist Johnny, kan op dat moment een noot spelen, maar met echte punkbravoure spelen ze meteen de zaal plat met hun muur van geluid.
De film bestaat voornamelijk uit interviews met betrokkenen, aangevuld met archiefmateriaal en “home videos” van tournees en optredens in onder andere de beroemde New Yorkse CBGB’s, waar de Ramones faam verwierven als heftige huisband. Joe Strummer van the Clash en John Cummings van the Sex Pistols vertellen hoe ze door the Ramones geinspireerd werden om ook zonder enige muzikale vaardigheden op het podium te gaan staan en gewoon hard te raggen en ook bands als Bad Brains en the Cramps zagen door de vier schoffies uit Queens het licht. In een tijd waarin door LSD gevoede solos van vijftien minuten iedereen de keel begonnen uit te hangen was de rauwe twee minuten rock van the Ramones een frisse orkaan in het gezicht van de opkomende “no future” generatie.
De band had geen leuk leven samen, zo blijkt. Johnny, de gitarist en Joey, de zanger hebben, vijftien van de twintig jaar dat de band bestaan heeft, geen woord met elkaar gewisseld. Ze waren twee uiterste tegenpolen, Johnny de ‘all american right wing conservative’ en Joey de liberale linkse joodse jongen. En daarnaast nog Dee Dee, de bassist, die al dat getour in die kleine bus achteraf maar “a big hassle” vond en liever aan de heroine zat. Al die animositeit en spanningen krijgen in de interviews echter iets aandoenlijks en zelfs grappigs, zoals wanneer Dee Dee bijvoorbeeld met zijn ogen rolt als hij terug denkt aan een of andere verwikkeling. In tegenstelling tot the Sex Pistols in de documentaire the Filth and the Fury hebben the Ramones iets schattigs over zich, met hun nog steeds in stijl geknipte haar en dezelfde zwarte leren jacks aan doen ze denken aan stripfiguren, weggelopen uit de tijdloze fantasiewereld van de punkrock.
Gelukkig waren tijdens het maken van deze documentaire alle bandleden nog in leven om hun eigen verhaal te vertellen. Inmiddels zijn de drie ‘hardcore’ Ramones Joey, Johnny en Dee Dee allemaal vertrokken naar “that great big stage in the sky”. Het is erg vermakelijk om de verhalen te horen over de achtergronden van bijvoorbeeld de songteksten. Dat “the KKK took my baby away” door Joey werd geschreven naar aanleiding van het feit dat Johnny zijn vriendinnetje had afgepikt, geeft dat nummer ineens een hele nieuwe dimensie. Het is daarom jammer dat de film niet wat dieper ingaat op meer van dit soort anekdotes. Waarom de band bijvoorbeeld overstapte van hun glamrock-achtige uiterlijk naar het inmiddels legendarische Ramones uniform van T-shirt, spijkerbroek, leren jack en basketbal gympen. Maar ja, de film duurt al zo’n twee uur en blijft toch boeien van begin tot eind, hoewel ik moet bekennen dat ik dit schrijf vanuit een Ramones-gekleurd hart.
Maar ook als je geinteresseerd bent in het fenomeen punkrock en zijn exponenten in het algemeen kan de film boeiend zijn. De opkomst van de punk in Engeland en hoe deze beweging uiteindelijk de Ramones overschaduwt. Of de ontvangst van Beatles-achtige proporties door de Zuid-Amerikaanse jeugd in 1989 geven een mooie indruk van die roerige tijden. Wanneer Johnny tenslotte vertelt hoe hij na het afscheidsconcert in 1995 niet eens afscheid heeft genomen van zijn mede bandleden maar gewoon naar huis is gegaan zoals altijd heeft dat aan de ene kant iets tragisch maar aan de andere kant past het ook geheel in de Ramones stijl van de nukkige eeuwige punkers die ondanks hun antipathieen toch twintig jaar lang een van de meest invloedrijke bands van het genre zijn geweest. Ik kan maar een ding concluderen: the Ramones zijn en blijven Gabba Gabba Hey!
The End of the Century, the story of the Ramones, nog te zien 27 November 21.30 uur op het IDFA.





January 25th, 2007 at 8.42 am
Ramones kicken godverdomme VET ASS !!!!!!!!!!!!!!!